donderdag 30 januari 2014

Elke dag gedichtendag...

ik kan ...

Ik kan eel veel.
Oor wat een oop:
Ik elp mama in et uis.
Ik ups rond als een muis.
Ik ijs een blok met mijn kraan.
Ik kan op mijn oofd gaan staan.
Ik ak out voor et vuur.
Ik klim - up! op de muur.
Kijk, ik oest met mijn and voor mijn mond.
Soms uil ik luid naar de maan als een ond.
Of ik ijg als een ert.
O ja, ik ol zo ard als Bert.
Ik ren als een aas!
En in uis ben ik de baas.
Ik spring zo oog als een kerk.
En ik doe geen alf werk.
Eus, ik kan eel veel.

Maar de h, die kan ik niet.

Lydia Rood
Mijn zak zit vol niks.
Zwijsen, 2001



"Doe ik het, of doe ik het niet?" vroeg ik me af toen ik vol bewondering naar het bakje restafval tuurde...














Gedichtendag


Ik sta voor een raam.
Ik zie woorden komen.
Sommige woorden herken ik:
ofschoon, rood, alvorens,
niettegenstaande in zijn wapperende jas,
waarachtigheid, onvolkomen…


Sommige klimmen op elkaars schouders.
‘Wie ben jij?’ roepen ze.
‘Bewolkt,’ roep ik.
‘Zwaar of half?’ vragen ze.
‘Licht,’ zeg ik. ‘Licht bewolkt.’


Ik sla mijn ogen neer.
Ik wou dat ik glinsterend was
of enigszins
of liever nog: desalniettemin.


Het begint te regenen.
Ofschoon kijkt omhoog, haar wangen worden nat.
Wijd en zijd hollen weg.
Duisternis valt.

(Toon Tellegen)